 |
Hier Spreekt Donald Duck...
|
In de eerste jaren van het Donald Duck weekblad werden de lezertjes door Oom Donald toegesproken en welkom geheten. Deze redactionele teksten waren vaak niet mals, en de schrijver van deze stukjes (waarschijnlijk nog een redacteur van de Margriet redactie) lijkt haast wel een hekel aan kinderen te hebben. Waarschijnlijk wilde de redactie de opvoeders en gezagshebbenden gerust stellen door de kinderen streng en opvoedkundig toe te spreken. Deze welkomstpraatjes kunnen nu erg lachwekkend overkomen. We willen u de leukste citaten dan ook niet onthouden:
|
 |
In dit eerste citaat krijgen de lezertjes het nog het hardst te verduren. Na de watersnoodramp hebben veel kinderen geld ingezameld voor de slachtoffers ("een heitje voor een karweitje"). Donald vindt dit erg goed, maar:
"Ik ken jullie wel zo'n beetje en dus weet ik, dat de meesten van jullie allesbehalve brave Hendrikken en Henrina's zijn. Jullie ouders en onderwijzers (om nog maar niet te spreken van politie-agenten!) hebben veel met jullie te stellen en dat is te begrijpen, want de jeugd van Nederland staat bekend als tamelijk baldadig en lastig. Er moet voortdurend op jullie gelet worden en nog veroorzaken jullie heel wat verdriet en narigheid. Ik zou dan ook de laatste zijn om complimentjes aan jullie uit te delen. Maar toch moet ik zeggen dat de meesten van jullie flink werk hebben gedaan bij de ramp en dat jullie je toen van je beste kant hebben laten kennen."
(uit: Donald Duck 12, 1953)
|
 |
Donald houdt een lofzang over de natuur en schrijft dat alles in de natuur precies geregeld is:
"Ik ken veel jongens en meisjes, die niet eens schijnen te weten wat orde en netheid is. Ze doen alleen maar waar ze zin in hebben en als hun iets wordt opgedragen waarvan ze niet houden, voelen ze zich verongelijkt. Ze spartelen tegen en weten allerlei bezwaren te vinden. Aan opruimen hebben ze een broertje dood en om de haverklap gebeurt het, dat ze te laat thuis of op school komen. Laten juist deze jongelui eens goed om zich heen kijken in de natuur. Ze kunnen er héél veel van leren."
(uit: Donald Duck 9, 1953)
Donald heeft het over vakantie:
"(...) Of je ouders en buren het ook zo plezierig zullen vinden, dat jullie vrij van school krijgen? Dat weet ik zo net nog niet! Natuurlijk gunt iedereen jullie graag die vacantie, maar het is ook bekend, dat in zo'n tijd de lieve jeugd wel eens minder lief kan zijn, of zelfs erg lastig. (...)"
(uit: Donald Duck 14, 1953)
Moederdag:
"(...) Sommig moeders zijn zó blij, wanneer hun kinderen op deze dag eens bijzonder aan haar denken, dat zij stilletjes een traan van vreugde wegvegen. Dat is dan een kleine troost voor heel veel andere tranen, die sommige moeders nu en dan storten. Aan die andere tranen - ik bedoel tranen van verdriet - zijn jullie, de kinderen, dikwijls schuldig.(...)"
(uit: Donald Duck 19, 1953)
|
 |
Donald vindt het belachelijk dat sommige kinderen niet kunnen zwemmen. Maar:
"Nu moeten jullie mij niet verkeerd begrijpen. Misschien is er niet overal in ons land een goede gelegenheid om te zwemmen en ook is het best mogelijk dat sommige vaders en moeders het beter vinden, dat hun kinderen niet zwemmen. In zulke gevallen spreekt het vanzelf, dat je je zonder tegensputteren richt naar de wil van je vader en moeder. Zij alleen zijn de baas over jullie en Donald niet. Probeer dus nooit je zin door te drijven met een beroep op mij. Goed begrepen?
Ik zeg alleen dit: Als je ouders het goed vinden, leer dan zwemmen."
(uit: Donald Duck 22, 1953)
Oom Donald heeft een brief gekregen van iemand die vindt dat de verhalen van de Grote Boze Wolf niet opvoedkundig zijn. Oom Donald antwoordt het volgende:
"Wel, ik vind het antwoord nogal eenvoudig. De verhalen van De Grote Boze Wolf zijn juist bij uitstek opvoedkundig, omdat de jeugd eruit kan leren, dat zij onder alle omstandigheden de ouders in ere moet houden en gehoorzamen. Kleine Wolf heeft het niet bijzonder met zijn papa getroffen (laten we het eerlijk toegeven) maar Wolfje blijft hem trouw, hoezeer hij zich soms ook mag ergeren aan de loze streken van zijn vader. (...)"
(Uit: Donald Duck 3, 1953)
Donald krijgt altijd veel knutselwerkjes van lezers opgestuurd en die stopt hij in een grote kast:
"Ik plaats ze (die kunstwerkjes, red.) ook nu en dan, maar ik zet er lekker jullie naam niet bij. Dat zou je maar verwaand maken en ook zou ik het niet aardig vinden voor andere jongens en meisjes, die even goed hun best hebben gedaan, maar die hun prestaties niet opgenomen zien."
(Op het eind schrijft Donald dat de lezers maar niks meer op moeten sturen, want zijn kast zit vol.)
(uit: Donald Duck 8, 1953)
In dit stukje heeft Donald het over lezertjes die vergeten hun naam en/of adres op brieven te zetten. Hij heeft het vervolgens over beroemde mensen die verstrooid zijn. Hij gaat verder:
"Nu zullen jullie misschien zeggen, dat jullie zeker wel eens van de wijs af mogen zijn als zelfs heel beroemde geleerde mensen dat ook zijn. Dat dàcht je maar! Jullie zijn niet beroemd en daarom alleen reeds gaat het niet op, dat je jezelf verontschuldigt door op beroemde mensen te wijzen. Wat ik dus van jullie vraag is: een beetje oplettendheid, alsjeblieft!"
(uit: Donald Duck 7, 1953)
|
 |
Een lezeresje mocht van een vriendin de Donald Duck niet lezen. Nu heeft zij zelf de Donald Duck thuis en nou laat zij dat vriendinnetje haar Donald Duck niet lezen. Oom Donald zegt daar het volgende op:
"Jongedame, ik begrijp, dat je Donald Duck niet aan je vriendin laat lezen en ik begrijp ook, dat je hierin een zeker leedvermaak vindt. Versta je me goed? Ik zeg, dat ik het begrijp, maar ik zeg ook, dat ik je gedrag helemaal niet goed keur. Natuurlijk was het niet aardig van je vriendin, dat ze je eerst de Donald Duck niet liet lezen, maar jij moet leren dat je kwaad met goed moet vergelden. Ik weet zeker, dat je vriendin veel spijt heeft dat ze zo onaardig voor jou is geweest en als jij nu laat zien, dat je wat voor haar over hebt, zal ze zich schamen over haar vroeger gedrag. We spreken dus af, dat jij het blad nog vandaag aan je vriendin te lezen geeft. Dan pas zul je echt tevreden zijn over jezelf."
(uit: Donald Duck 11, 1953)
Kennelijk kon de redactie slecht tegen kritiek:
"Oei, wat heb ik me een paar dagen geleden kwaad gemaakt! Daar moest wel een bijzondere reden voor zijn, want doorgaans ben ik in goed humeur. Die bijzondere reden was gelegen in enkele brieven, die ik uit de lezerskring van Donald Duck ontving. Hierin stond niets minder of meer te lezen, dan dat het misschien niet helemaal eerlijk toeging met de toekenning van prijzen bij onze prijsvragen. Wel, toen ik dát las werd ik rood van boosheid en ik wilde de jongelui meteen een brief terugschrijven, die niet mals zou zijn. Toch heb ik ermee gewacht. Dat doe ik namelijk altijd als ik op het punt sta in een boze bui de antwoorden. En ik geloof dat het heel goed was, die brief even te laten rusten, want later heb ik helemaal niet meer teruggeschreven. Waarom zou ik ook? Jongelui, die zonder reden iemand van lelijke dingen beschuldigen, zijn geen antwoord waard. Ik ben er echter vast van overtuigd dat jullie een beter karakter hebben. Jullie vertrouwen op de eerlijkheid van Donald Duck, want anders zouden jullie niet aan de prijsvragen meedoen.(...)
En als er soms toch nog een meisje of jongen zou zijn, die twijfelt aan de eerlijkheid van Donald Duck, dan doet zo iemand ons allemaal een groot plezier door niet meer aan de prijsvragen mee te doen. Verder zeg ik er geen woord van."
(uit: Donald Duck 6, 1953)
|
 |
Interview met Endre Lukács
de eerste Nederlandse Donald Duck-tekenaar
Terug naar Donald Duck Weekblad
|