Stripgeschiedenis
Strips in de periode 1850-1900
In de tweede helft van de negentiende eeuw was er sprake van opkomst en bloei van het satirisch tijdschrift. Satire kan worden omschreven als een aanklacht in een humoristische verpakking. Een satiricus wil niet alleen vermaken, maar ook kritiek leveren en onthullen. In de grondwet van 1848 was de vrijheid van drukpers opnieuw vastgelegd en door andere en verbeterde druktechnieken konden illustraties eenvoudiger en vooral goedkoper worden afgedrukt.
Onder invloed van de industrialisering en de emancipatie van diverse bevolkingsgroepen ontstond er een meer sociaal en politiek bewogen klimaat, waarin een satirisch tijdschrift goed kon gedijen. Het analfabetisme werd teruggedrongen en door de politieke bewustwording van grotere groepen mensen ontstond een steeds breder lezerspubliek. Veel, meestal rijk geïllustreerde tijdschriften verschenen in deze tijd, waarvan met name de satirisch getinte bladen zich in een grote populariteit mochten verheugen. Rond 1890 telde ons land ruim 20 van dergelijke spotbladen.

In 1856 werd het Humoristisch Album opgericht. Dit blad probeerde zijn lezers niet alleen met komisch bedoelde teksten, maar ook met beelden te vermaken. Het werd een plek waar Nederlandse tekenaars zich konden uitleven en - wat voor hen het belangrijkste was - waar ze een ongetwijfeld bescheiden honorarium konden verdienen.
De meeste tekeningen in het Humoristisch Album zijn losse cartoons. Daarnaast zijn er illustraties bij teksten. Naarmate de hoeveelheid illustraties bij een tekst groter wordt, krijgt het geheel meer het karakter van een beeldverhaal. Verder zijn er de bijdragen waarin het beeld overheerst: getekende reportages en beeldverhalen.
De tekenaar die vanaf 1874 de meeste cartoons, reportages en beeldverhalen aan het Humoristisch Album bijdroeg was Jan Linse (1843 - 1906). Opvallend is hoe hij speelt met de diverse mogelijkheden van het beeldverhaal: hij experimenteert met tekstloze verhalen, vogelvluchtperspectief en opvallende invalshoeken.
Uit het 'Koffiehuisleven: Onaangename gevolgen van een biljartstoot'.

In de serie 'Nieuwe Nederlandsche Kinderboeken' verscheen bij uitgeverij G.L. Funke omstreeks 1878 het instructieve verhaal 'Het Bakkersbedrijf', waarin de wat betere jeugd allerhande tips vindt om het bakkersvak te beoefenen.
Een curieuze strip-uitgave is overigens ook te vinden in de "'s-Gravenhaagsche Almanak", uitgegeven door Erve C. Stichter van 1888 tot 1911. Deze jaarlijkse uitgave bevatte een geïllustreerd humoristisch verhaal, waarvan de tekenaar helaas onbekend is. Hieronder een plaatje uit 1888:

En leefde op zijn gemak
En een ding gaf hem steeds plezier
Tuinieren was zijn zwak.
Nauw brak dan ook de morgen aan
Of onze vriend Verbeijn
Wilde altijd naar zijn bloemen gaan
En in zijn tuintje zijn.
Hij schoffelt, wiedt en harkt en spoot....
Een lust was 't om te zien"

Een andere humoristische tekenaar die in deze periode actief was, was Alexander VerHuell. Hij produceerde verschillende albums met plaatjes, die vaak een verhalend karakter hadden.
VerHuell: 'De Taal der Muziek: Allegro Finale'.

Sinds 1894 was Nederland een eigen jeugdblad rijk, Weekblad Voor De Jeugd. Waarschijnlijk werden veel illustraties overgenomen uit buitenlandse publicaties. In ieder geval verscheen iedere week een strippagina, waar de rijkere jeugd kon zien hoe het ondeugende schelmen zal vergaan (boven).



Een vrije vertaling van een stripje van Howarth.
'Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen'.
Het Humoristisch Album publiceerde in 1866 ook een Nederlandse vertaling van 'Monsieur Cryptogame' van Rudolf Töpffer (overigens zonder diens naam te noemen), die in 1858 al door J.J.A. Goeverneur vertaald was. Monsieur Cryptogame heet hier meneer Spillebeen, een naam die het niet gehaald heeft als alternatief voor Goeverneurs Prikkebeen.

In 1845 was dit werk reeds in Engeland gepubliceerd. Dat het medium beeldverhaal in deze periode niet bijzonder hoog werd gewaardeerd, blijkt wel uit een opmerking die Goethe op 4 januari 1831 tegen Johann Peter Eckermann maakte over Töpffer: "Als Töpffer in de toekomst een wat minder frivool onderwerp zou kiezen en zich een beetje in zou houden, zou hij ondenkbaar grootse dingen kunnen produceren."
Uit: Voor 't Jonge Volkje, 1898.
Bovenstaande strip stond in het 37ste deel van Voor 't Jonge Volkje (Geïllustreerd Tijdschrift voor de Jeugd), dat onder redactie van P. Louwerse stond. Het stamt uit ongeveer 1898. Naast leerzame artikelen en spannende verhalen werden af en toe gedichten geplaatst met bijpassende illustraties. Waarschijnlijk werd hiervoor buitenlands materiaal gebruikt.
19e eeuws röntgenapparaat.
Ons Jongensblad (1898).
In Ons Jongensblad stonden veel strips uit met name Franse en Duitse bladen. Opvallend is dat dit blad niet alleen in Nederland en ons Indië wordt verspreid, maar ook in Transvaal. Dit maakt ook het standpunt van Nederland in de Boerenoorlog duidelijk. Men beschouwde de boeren als verre bloedverwanten.


'Moeder Hubbard en haar hond' is een uit het Engels vertaald bakerrijm met 14 prenten. Het werd gepubliceerd in 1860 en gaat over een vrouw die alles doet voor haar hond, die eerst dood ligt, daarna weer tot leven komt en allerhande menselijke handelingen verricht.
Veel historische gebeurtenissen werden in een sequentie weergegeven, zoals deze platen uit een jongensalmanak (1863).
(met dank aan 'De Archeologie van het Nederlandse Stripverhaal' door Nop Maas, 1997)















